Er moet nu eerst iets opgehelderd worden over de eenheid. Deze dient als basis van constructie; sterker nog: er kan van ‘zijn’ en ‘kennen’ geen sprake zijn zonder eenheid.
We zijn ieder moment van de dag, bewust of onbewust, met bezig metafysica: het proberen te vatten van de niet-fysische werkelijkheid. Het ontnemen van de metafysische werkelijkheid (wat fundamenteel gezien niet kan) zou een leeg raster, een doods skelet achterlaten. De buitenwereld heeft een geest nodig die haar zin geeft; ik bedoel hier geen zin als doel, maar zin als ontologisch fundament.
Als er een grond is, dan is het de eenheid; zij bevat grond, is grond, maar heeft ook geen grond nodig om te zijn. Het zogenaamde raster, de constructie, heeft daarentegen wel een grond nodig.
De eenheid is de bestaansvoorwaarde en de mogelijkheidsvoorwaarde van het zijn. Het moge duidelijk zijn dat met eenheid het volledige eerste domein bedoeld wordt, aangezien de relatie van het 1e tot het 2e volledig parallel loopt aan die tussen eenheid en niet-eenheid. Met niet-eenheid wordt overigens bedoeld: ‘afgebakende’ eenheid, die ingedeeld is en daardoor ‘beperkt’ gemaakt. Constructie is dus een vorm van niet-eenheid.
Over de volgordelijkheid: aangenomen dat de eenheid ‘gegeven’ is, betekent dit dat een willekeurige constructie een mogelijkheid, dus louter contingent is? Een onzuiver subject (ik) kan echter niet vanuit eenheid beginnen: het heeft een constructie als aanvang nodig. Ergo, het afpellen van een constructie om zodoende eenheid te bereiken, is net zo goed onmogelijk als het beginnen vanuit eenheid. Wij kunnen de ware eenheid niet vatten, en toch is ons bestaan, ons zijn, ons denken intrinsiek verweven met de eenheid.
Wij ‘kennen’ op de een of andere manier eenheid, zonde te weten wat het nu precies is. Dit is vergelijkbaar met mijn eerdere stellingen over het benaderen van de waarheid: het is niet uitgesloten, maar we kunnen het exacte raakvlak niet vaststellen.
Het is wel belangrijk te vermelden dat de sceptische of agnostische methode die ik hanteer voor alle kennis-aannames en speculaties geldt. Een constatering dat buiten de zon schijnt, en er dus een zon moet zijn, is een aanname. Een zogenoemd ingerasterd, geconstrueerd ‘feit.’ De stelling dat eenheid ten grondslag ligt aan het zijn, is een (gerichte) speculatie. Veel meer smaken hebben we helaas niet.
Het gevaar ligt echter wel in al die tweedelingen: ik/buitenwereld, waar/conventioneel, 1e / 2e domein, eenheid/constructie etc. Ook al sluiten deze voor een groot deel op elkaar aan, toch verkleuren ze ook de ware bedoeling van mijn systeem. De termen moeten op een bepaalde manier gerelativeerd worden, zonder hun betekenis weg te nemen. Ik bedoel hiermee dat mijn systeem, juist door het gebruik van al die indelingen, diezelfde indelingen ook weer tussen haakjes zet en laat zien dat voor ons begrip die kaders nodig zijn. En de eenheid dan? Dat zou alle beperkingen toch opheffen? Deze exercitie wordt steeds vermoeiender…