De uitdrukking ‘met de grond gelijk maken’ is in ons geval wel een bijzondere beeldspraak: we moeten die hier namelijk letterlijk nemen.
Niet in de zin dat we al onze ‘bouwwerken van kennis’ af moeten breken. Zeker niet, dit zijn immers 2e-domeins-bouwwerken die op dat niveau waarde bewijzen, mits je het fundament ervan ‘veronderstelt.’ De grond moet echter in het 1e domein gelijk worden gesteld aan de waarheid, het zuivere subject, het Ding an sich etc. Het moet dus ‘gelijk’ worden gemaakt aan die zaken (en vandaar de overeenkomst met die uitdrukking). Dat gelijk maken telt alleen voor ons (onzuivere subjecten): wij moeten een actieve denkstap nemen om de zaken terug te brengen naar hun kern, terwijl in het 1e domein alles gelijk is.
De vraag die ik eerder gesteld heb, of het Ding an sich zelf de grond is, kan dus zowel positief als negatief beantwoord worden: ja, het Ding an sich is ook grond, en nee, het kan niet beperkt worden tot diezelfde grond.
De volgende stap is de vraag naar de hoedanigheid van het zuivere subject (die dus ook grond is). In al mijn denken en leven, al lang voordat ik aan deze blogs begon, heb ik God als een zuivere entiteit, een zuiver subject gezien. God kan niet gevat, of beperkt worden door de begrippen en onderscheiden die wij hanteren. Hij kan net zomin mannelijk als vrouwelijk genoemd worden, omdat beide predicaten hem een beperking opleggen.
Juist het mystieke aspect dat we Hem niet kunnen vatten of direct kunnen aanzien (zoals in de Bijbel naar voren komt) laat een grote analogie zien met de werkelijkheid of waarheid. Net zoals we uiteindelijk alleen op God kunnen vertrouwen, zonder evidente zekerheid, kunnen we ook alleen maar vertrouwen op het zijn van de werkelijkheid. Een werkelijkheid die door God aan ons gegeven is. Er is, uiteindelijk, voor ons, voor mij geen ontologische zekerheid, en dus ook geen epistemische zekerheid. Er rest alleen vertrouwen.
Vertrouwen gaat overigens dieper dan veronderstelling en kan wellicht nog beter met liefde aangeduid worden. Maar dan liefde in algemene zin, zoals Kierkegaard bedoelde: dus zonder voorkeurspositie, zonder onderscheid. Als die liefde geen onderscheid maakt, past ze naadloos bij het 1e domein, bij God en de waarheid.
Is de liefde dan grond? Tja, ook weer positief en negatief: het maakt er onderdeel van uit, maar mag er ook niet tot beperkt worden. Dit is ook het venijnige van dit vakgebied, de ontologie. Net als je een begrip gevonden denkt te hebben dat de lading dekt, blijkt datzelfde begrip later toch niet helemaal geschikt te zijn. ‘Grond’ is een 2e-domeinsbegrip, dat niet geschikt is om het 1e domein te beschrijven, hoogstens te schaduwen. Om opnieuw een vergelijking te trekken met ruimtelijke dimensies: als je hier een 4-dimensionaal object plaatst, zal ik (en jij hopelijk ook) het als een 3-dimensionaal object zien. Het zijn van het object verandert niet, wel het perspectief. Simpelweg door de beperkingen van onze realiteit.
Het zou slimmer, of beter zijn om ons simpelweg gelukkig te prijzen met die realiteit en het daarbij te laten. Maar ja, nu hebben we een denkvermogen en gaan we graven, puur omdat het kan. Het zij zo…