Categorie: Deel 3

  • Het grijze gebied

    Herhaling is nooit slecht: het helpt ons te kaderen, te overwegen en onverwachte combinaties te maken. Om opnieuw met de deur in huis te vallen: de werkelijkheid zoals die aan ons verschijnt, is een door ons vormgegeven (gecreëerde) abstractie, waarover wij zgn. ware uitspraken kunnen doen, als uitkomst van onze conventionele afspraken.

    Voor het kennen, dus ons kennen, is er onderscheid tussen het ware of het zuivere (eerste domein) en het onzuivere of onvolledige (tweede domein). Deze twee kennisdomeinen hebben geen betrekking op twee fysieke of causaal-gerelateerde domeinen; beide domeinen hebben geen ontologische relatie tot elkaar. Alleen voor ons (onzuivere subjecten) is er een relatie, een onderscheid.

    Over de aard van het eerste domein kunnen wij eenvoudig niets met zekerheid zeggen, noch door middel van onze waarneming, noch via onze rede; ook niet via de intuïtie. We kunnen, zoals gezegd, de waarheid nooit vatten.

    De methode van de analogie helpt ons een framework te bouwen dat ons houvast geeft; dit is echter alsof men een steiger bouwt om een tsunami. Het helpt enigszins: we voelen ons veiliger, maar verdrinken evengoed als we de tsunami willen leren kennen.

    Wat dan te denken over de begrippen benadering en vertrouwen, waar ik eerder over gesproken heb? Wij zijn, ongevraagd en ongelukkig, in een wereld geworpen die wij niet kunnen kennen en tot in het einde abstraheren. Wel hebben we een ‘tool’ gekregen, de rede, de heilige graal, die ons helpt om steigers te bouwen. Zonder dergelijke steigers, zonder hiërarchie, zonder zin, ziet alles er somber uit.

    Het grijze gebied waar wij filosofen ons in begeven, leidt juist tot het spelen met de tool van de rede: het kunnen denken en omdenken, het anders kunnen denken. We kunnen de realiteit niet vatten, maar haar wel anders construeren. Jammer is wel dat de filosofie eenrichtingsverkeer is: als je je eenmaal in het grijze gebied begeeft, kom je er niet meer uit. Je spreekt over waarheid, die niet te vinden is; over domeinen, die een illusie zijn qua ontologie, maar toch noodzakelijk voor ons kennen.

    Vanwaar deze negatieve stellingen, deze teruggekeerde destructie? Was niet het doel om na de subjectivering, het begrenzen van kennis juist een vorm van objectiviteit vast te stellen? Deze reeks leek wel die kant op te gaan. Het was zeker niet mijn bedoeling de positieve punten uit eerdere blogs ongedaan te maken; veeleer is het om mij scherp te houden en alle stellingen waar nodig bij te schaven. Om een verwijzing te maken naar Schopenhauer: hij geeft met recht aan dat het onderscheid tussen noodzakelijk, werkelijk en mogelijk slechts een abstract onderscheid is, dat voor de realiteit niet geldt. Net zoals in mijn eerste domein dat onderscheid verdwenen is.

    Waar ik echter de teugels aantrek, is bij het onderscheid tussen verstand en rede, tussen voorstelling en begrip. Geen van deze zaken heeft een voorkeurspositie in het licht van de waarheid; allemaal zijn ze ontoereikend.

    Je maakt je binnen de filosofie nooit populair met het introduceren van een metafysische entiteit, maar zo’n entiteit hebben we al lang en breed behandeld. De realiteit is een groot ens metaphysicum, waar niet aan valt te ontkomen. Dat gaan we dus ook niet proberen: in plaats daarvan gaan we vrolijk verder met het onderzoeken van de eenheid van die entiteit.

  • De tweede plaats is noodzakelijk

    In de vorige analyses hebben we scherp gesteld dat de begrippen en categorieën die we in het dagelijks leven hanteren, geen ware betekenis hebben in het licht van het 1e domein.

    Dat hebben we met name kunnen zien bij het begrip ‘grond,’ als ook bij het onderscheid tussen subject en object. Het 1e domein (om maar weer eens te herhalen) kent geen onderscheiden. De ironie wil dat wij, om haar te kennen, juist wel (schijn)onderscheiden moeten gebruiken. Dit komt doordat wij ‘scheidend’ denken: we knippen zaken in stukjes, benoemen verschillen, bouwen hokjes etc. Deze stappen zijn onontkoombaar en inherent aan de menselijke geest.

    Ik wil nu een ander begrip aanraken, namelijk de noodzakelijkheid, en dit uitleggen van mijn twee-domeinenvisie. Door middel van intuïtie zou je snel zeggen dat onzuivere subjecten en objecten niet noodzakelijk ‘zijn;’ dus contingent zijn, ze hadden ook niet of anders kunnen zijn. Het zuivere subject vervolgens, in al haar holistische omvatting, zou dan wel noodzakelijk moeten zijn. In het verleden dacht ik ook zo over God: Hij is noodzakelijk, terwijl de schepping uit louter contingenties bestaat.

    Toch gaan deze stappen te snel. Eerst moeten we bepalen of noodzakelijkheid als 2e-domeinsbegrip überhaupt iets kan zeggen over het 1e domein? Nou, eigenlijk doen we niet anders, begrippen uit het 2e domein ‘plakken’ over het 1e.

    Let wel, het zijn van het 1e domein is onbetwijfelbaar; alleen en het kennen van en inzicht in de hoedanigheid ervan is niet mogelijk. Het tweede domein is een beperkte afbakening van het eerste. Het zijn van het 2e kan echter niet, en is niet zonder het 1e. Het kennen van het 2e bevindt zich daarentegen prima op de 2e verdieping, zonder ooit de behoefte te voelen de lift of de trap te pakken naar de 1e verdieping. Qua zijn is het 1e een draagbalk die je niet weg kunt halen zonder dat de hele boel instort.

    Om even terug te komen op de noodzaak: eigenlijk is het begrip noodzakelijkheid dus niet toereikend om het eerste domein, of enig element ervan, te vatten. Je kunt bijvoorbeeld ook niet stellen dat de reële objecten uit het tweede domein gevolgen zijn van het 1e domein. Er is geen causaliteitsrelatie, net zoals er geen ruimtelijke relatie is tussen de twee (zoals ik heb uitgelegd bij mij schematische weergaves).

    Het kan dus helemaal niet zo gesteld worden dat de schepping een noodzakelijk gevolg van een eerste oorzaak (zoals God). Integendeel: God is. Hij is oorzaak noch gevolg. De schepping is ook en kan daarmee niet beperkt worden tot gevolg. Deze stellingen roepen veel nieuwe vragen op en kunnen mijn systeem wellicht doen kantelen.

    Dat er ken-verschillen zijn tussen de twee domeinen, dat is inmiddels wel overduidelijk, maar zijn er dan ook zijnsverschillen tussen de twee? Ik heb immers vaak gesteld dat het puur zou gaan om twee perspectieven van hetzelfde. Het heeft geen pas om het 2e domein uit te sluiten van een fundamenteel zijn. Sterker nog: als, en dat is ontologisch niet juist, maar als je het eerste domein als noodzakelijk wilt betitelen, dan is het tweede domein net zo noodzakelijk.

    En weg is alle contingentie.