Categorie: Deel 4

  • De grens van de eenheid

    Uit al mijn beschouwingen tot dusver vallen verschillende conclusies te trekken. Ik zal ze nu niet allemaal opnoemen (en herhalen); in plaats daarvan wil ik me richten op een voorlopig ‘eindpunt’ van de ontologie en de zijnsvraag, namelijk: eenheid.

    Dit is een speculatief begrip, dat naar iets verwijst wat wij slechts kunnen beschouwen en niet kunnen vatten (net zoals alle andere niet-conventionele begrippen). Het onderscheid, elke vorm van onderscheid is een vertekening, een beperking als het ware, die het zijn en ieder zijnde verdekt.

    De twee domeinen zoals ik die uitvoerig besproken heb, zijn slechts voor ons relevant om een brug te slaan naar het ‘ware,’ de eenheid.

    Eenmaal in het eerste domein, de eenheid, is de eerdere afbakening in domeinen niet meer relevant. Deze afbakening is nu nog slechts een vage tekening, een magere afspiegeling. ‘Eenheid’ duidt trouwens niet op een singulair punt, 0-dimensionaal, waar alles in samengebald is. De eenheid van alles is rijk, dense en onafgebakend. Het kan niet gereduceerd worden tot of in ruimte en tijd. Ook kan het ons, kan het mij niet gelukken om één te worden met deze eenheid en de onderscheiden af te werpen. We leven en denken in onderscheid; het zijn daarentegen is zonder onderscheid.

    Let wel, de afzonderlijke zijnden zoals wij ze onderscheiden in onze dagelijkse realiteit zijn wel degelijk, alleen afgedekt en vertekend. Hun ware zijn is eenheid: dit bedoel ik uiteindelijk ook met waarheid. Ook kunnen we hiermee de duale status van 1e en 2e-domeins-objecten verklaren; beide categorieën zijn, alleen de eerste categorie is onafgedekt, ongefilterd. Het wrange is dat we (ik) allemaal onderdeel uitmaken van de eenheid, de ware eenheid, de waarheid, maar dat we er geen toegang tot hebben, omdat we het perspectief missen.

    Er kunnen echter wel degelijk een paar positieve punten uit deze culminatie getrokken worden. Het eerste is dus dat wij, ik, het onzuivere subject deel uitmaken van de eenheid en er ook niet los van gedacht of gemaakt kunnen worden. Het tweede is dat ons kenvermogen blijkbaar wel in staat is om een meta-begrip te vormen over de aard van het zijn, zonder het zijn zelf in strikte zin ooit te kennen. Ik ben zeker niet de eerste of de laatste die dat zal aantonen; wel ben ik een van de weinigen die een systeem opgezet heeft dat zichzelf aan het einde tussen haakjes of buitenspel zet.

    En expliciet buitenspel, omdat ik continu wijs op het onkenbare van de realiteit. In die zin is de eenheid van de realiteit weer een Ding an sich, dat Kant met recht onkenbaar noemde. Waar het nu op aan komt, is de verhouding van het onzuivere subject (ik, wij) met die eenheid en de rol van het conventionele kennen daarin. Als zowel de speculatie, als het conventionele kennen niets waars kunnen zeggen over die eenheid, dan ontstaat er wellicht enige overlap… Die overlap zou vervolgens een rol kunnen spelen in de vaak besproken benadering.