We hebben hiervoor al geconstateerd dat vertrouwen niet aan de basis kan staan van eenheid; deze heeft immers geen fundament of grond nodig. Onze (mijn) constructies hebben daarentegen wel vertrouwen nodig om te kunnen zijn. De geconstrueerde zijnden kunnen zich pas uiten (of existeren) als het construerende subject er vertrouwen in heeft.
Ik wil hier even wat scherp stellen over onze kennis over constructies. Al onze (conventionele) kennis is per definitie kennis over een constructie; kennis over eenheid is immers onbewijsbaar. Tegelijkertijd is iedere constructie ook onderdeel van de eenheid, omdat eenheid alles omvat.
Dat leidt echter tot de volgende paradox: wij kennen strikt genomen een stukje van de eenheid, maar de eenheid kan niet in ‘delen’ gekend worden. Oftewel: we kennen het helemaal (waardoor er geen onderscheid meer zou zijn tussen subject en object), of we kennen het niet.
Deze paradox geldt ook voor de criteria. Zuivere eenheid (zuiver is overigens een tautologische nadruk, geen toevoeging) heeft geen criterium nodig aan de hand waarvan haar zijn vastgesteld moet worden. Maar wij moeten wel een criterium vaststellen aan de hand waarvan wij om moeten gaan met die eenheid.
Vertrouwen kan hier een ‘schijn-basis’ zijn voor eenheid, omdat wij enkel over eenheid kunnen denken en spreken als over iedere willekeurige constructie; wij kunnen het niet vatten in haar een-zijn. Er is geen maatstaf voor ons om met eenheid om te kunnen gaan, daarom rest er slechts vertrouwen, net zoals we vertrouwen op het zijn van conventionele zaken.
Nogmaals, er is net zomin volledige ‘zekerheid’ over het zijn van een constructie als over het zijn van eenheid. Het enige verschil is dat wij ‘toegang’ lijken te hebben tot het resultaat van constructie, zoals bijvoorbeeld de waarneembare butenwereld. Daarnaast hebben we onze rationele logica, die ons ook veel inzicht in de aard van constructies gebracht heeft. Let wel, deze logica zegt niets waars over de ‘objectieve’ eenheid, maar kan wel iets sluitends zeggen over een conventionele constructie.
Toch is er altijd, bij alles (en dit is speculatie!) sprake van de aanwezigheid van eenheid. We kunnen haar alleen niet geïsoleerd vastpinnen, zoals ik ook in eerdere schema’s heb weergegeven. Omdat wij individuele (onzuivere) subjecten zijn, worden we gedwongen de eenheid in een constructie te proppen, die haar onomkeerbaar vertekent. De paradox is weer dat de eenheid aanwezig is in iedere constructie, en dat iedere constructie weer onderdeel is van diezelfde eenheid. Ergens had ik het over het ‘zichzelf opheffende onderscheid;’ wij maken onderscheid tussen eenheid en niet-eenheid, terwijl als er sprake is van eenheid, iedere vorm van onderscheid opgeheven wordt.
De eerlijkheid gebiedt dat mijn analyse, net zoals de hele filosofie, bol staat van de paradoxen. De twee domeinen, het spreken over transcendente zaken, over zaken die niet gekend kunnen worden.
Uit ervaring blijkt dat paradoxen geen oplossing bieden; ze zijn immers onoplosbaar. En ook al is mijn analyse niet bedoeld om een sluitende oplossing te bieden, ik kan niet zeggen dat het er zo leuker op wordt.