Categorie: Deel 5

  • Niet het zijn dat we zoeken

    Het probleem waar ik al heel lang op aan het sturen ben, en ook al in meerdere varianten genoemd heb, is de paradox van het zijn. Als subject brengen wij onderscheiden aan, die eigenlijk weer afgebroken zouden moeten worden om tot de ware eenheid te komen, maar dat is volstrekt onmogelijk, omdat wij ons subject-zijn niet van ons af kunnen werpen.

    Nu ik me meer aan het verdiepen ben in het werk van Sartre, zie ik wel aanknopingspunten, maar ook geen sluitende verklaring of oplossing voor het probleem. Dat is echter geen schande, het is tot op heden nog niemand gelukt.

    De focus op fenomenen, het voor-zich en het uitsluiten van een ‘noumenale’ werkelijkheid buiten de verschijningen is een vergelijkbare tactiek als de mijne. Ook al leg ik de nadruk juist wel op het noumenale en het Ding an sich, toch heb ik ook geprobeerd alles in de eenheid te verbinden. De stelligheid waarmee Sartre poneert dat het zijn ‘is wat het is,’ is dezelfde als waarmee ik stel dat de eenheid is. Een opvallend gebrek aan predicaten, waardoor het probleem nog moeilijker wordt doordat het noch te bewijzen noch te weerleggen is. Daarnaast is ‘verhouding’ tussen zijn en niet-zijn wellicht vergelijkbaar met die van mij tussen eenheid en niet-eenheid. Het niet-zijn is gefundeerd op het zijn (in het kader van voor-zich) en is er dus onlosmakelijk mee verbonden; niet-eenheid wordt ook omvat door dezelfde eenheid, ook al maakt ze er voor ons kennisperspectief geen deel van uit.

    In mijn werk leg ik een sterke focus op de subjectiviteit van kennis en het belang van het Ik. Diezelfde nadruk komt aan de orde bij Sartre, zonder dat hij wil toegeven (voor zover ik meen) dat er een veronderstelling in zit. Dat geldt namelijk voor het bewustzijn, dat hij als noodzakelijke voorwaarde voor het zijn-voor-zich stelt. Er rijzen hier minstens twee problemen, namelijk: de subjectiviteit van het bewustzijn (vergelijkbaar met het Ik of het cogito) en de onbewijsbaarheid van (het zijn van) een bewustzijn. Ook al kun je vanuit het cogito stellen dat ik denk, dus dat er een zijnde is dat denkt, toch blijft dit strikt beperkt tot mij, tot het Ik, en hoeft het niets (objectiefs) te zeggen over een mogelijke wereld buiten mij. De stelling van Sartre dat de (fenomenale) wereld buiten mij slechts is in het licht van het bewustzijn voor-zich, lijdt tot of een cirkelredenering (net als bij mijn paradoxen over eenheid), of tot een doodlopend eindpunt, met een onverklaarbaar bewustzijn. Daarmee is dit bewustzijn, of zelfs het fenomeen, net zo goed een ‘black box’ als de eenheid. De structuren die we denken te vinden kunnen evengoed waar zijn als onwaar; het ontbreekt ons aan een criterium of objectief richtpunt hierin.

    Ik wil wel toegeven dat de positie van Sartre m.b.t. tot de fenomenen juist kan zijn. Het zou kunnen dat alles wat zich manifesteert, aan ons verschijnt, waar is en dat er helemaal geen sprake is van een noumenaal Ding an sich. (Net zoals ik in de vorige blog gesteld heb dat ik niet uit kan sluiten dat ik een zuiver subject ben.)

    Waarom heb ik dan tot dusver wel voor die ongrijpbare transcendente zaken gekozen? Dat ligt vooral aan het vertrouwen in de veronderstellingen; ook al is het aannemelijk dat dit vertrouwen enkel en alleen uit het Ik voortkomt (net als het denken, het cogito) zelf, toch vermoed ik dat de oorsprong van vertrouwen buiten ons ligt. In hoeverre dat objectief geïnterpreteerd moet worden, of als in een zuiver subject, dat zullen de volgende analyses moeten uitwijzen.

  • Van alles niets weten, of niets van alles weten?

    Aan het begin van deze blogreeks had ik het regelmatig over destructie. Dit begrip heb ik in eerste instantie gebruikt voor het afbreken of ter discussie stellen van bestaande ontologische systemen. Daarnaast was mijn doel ook het afbreken van bestaande (foutieve) veronderstellingen over kennis.

    Ik wil nu echter een scherper gebruik van de term voorstellen; dit kan namelijk ook gebruikt worden als in de destructie van het onderscheid tussen metafysica en fysica. Ook al heb ik eerder gezegd dat dit doel niet zo eenvoudig is, toch wil ik er verder op inzoomen.

    Alle conventionele kennis is een vorm van onbewijsbare kennis; al onze constructies steunen immers op veronderstellingen, die strikt genomen niet objectief bewezen kunnen worden. Tegelijkertijd is de (conventionele) notie dat er zoiets als een metafysische eenheid (of een Ding an sich, of een God) bestaat, ook een aanname. En hier komen we weer bij de paradox dat de eenheid alles zou moeten omvatten, inclusief alle constructies en aannames die wij er in ‘aanbrengen.’

    De crux is dat zowel onze kennis over fysieke of ervarings-fenomenen, als onze kennis over metafysische zaken, op veronderstellingen berust. En wij (ik) als onzuivere subjecten moeten vertrouwen dat onze veronderstellingen juist zijn, omdat we ze niet kunnen bewijzen, maar ook niet kunnen leven of denken zonder die aannames.

    Allicht is het vertrouwen in ‘direct’ waarneembare zaken groter dan het vertrouwen in bijvoorbeeld het bestaan van een god of een ziel. Dat komt omdat we de eerste categorie kunnen zien, voelen etc. en er met gelijke mate over kunnen spreken met een ander. Echter, we vertrouwen stiekem ook blind op zaken als een ziel en bewustzijn bij een ander individu, zonder daar ook maar enig bewijs voor te hebben.

    Uiteindelijk hebben we geen enkel sluitend bewijs voor enige vorm van ‘zijn,’ dus zowel niet van enig fysiek object als van ieder metafysisch of transcendentaal idee. Al deze categorieën, ontsproten aan het (waarschijnlijk onzuivere) menselijk brein, zijn allemaal in gelijke mate ongrijpbaar. Dit leidt volgens mij ook tot de conclusie dat de fysieke wereld, de ‘waarneembare buitenwereld,’ geen enkele voorrang verdient ten opzichte van een transcendente wereld.

    Om het nog wat leuker te maken: de status van ons (van mij) als onzuiver subject is ook onzeker. Ik kan eenvoudig niet bewijzen dat ik een onzuiver subject, ook niet terwijl ik vrijwel zeker ben dat ik valse onderscheiden (constructies) aanbreng. Daarnaast kan ik evenmin bewijzen dat er een zuiver subject is, of dat God het zuivere subject is. Dus er kan een grote overlap zijn tussen mijn kennis en de zuivere kennis over het ware zijn: ik heb daar alleen geen objectief criterium voor.

    Ik zeg dit omdat ik de nadruk wil blijven leggen op het agnostische aspect van kennis, en niet op een ‘onmogelijkheid’ van bepaalde kennis. Anyway, voor meer uitleg over agnosticisme en criteria, zie de vorige blogs. Dan ga ik mijn hoofd buigen over de eventuele ‘ware’ kennis, waar wij eventueel toegang tot zouden kunnen hebben.