Aan het begin van deze blogreeks had ik het regelmatig over destructie. Dit begrip heb ik in eerste instantie gebruikt voor het afbreken of ter discussie stellen van bestaande ontologische systemen. Daarnaast was mijn doel ook het afbreken van bestaande (foutieve) veronderstellingen over kennis.
Ik wil nu echter een scherper gebruik van de term voorstellen; dit kan namelijk ook gebruikt worden als in de destructie van het onderscheid tussen metafysica en fysica. Ook al heb ik eerder gezegd dat dit doel niet zo eenvoudig is, toch wil ik er verder op inzoomen.
Alle conventionele kennis is een vorm van onbewijsbare kennis; al onze constructies steunen immers op veronderstellingen, die strikt genomen niet objectief bewezen kunnen worden. Tegelijkertijd is de (conventionele) notie dat er zoiets als een metafysische eenheid (of een Ding an sich, of een God) bestaat, ook een aanname. En hier komen we weer bij de paradox dat de eenheid alles zou moeten omvatten, inclusief alle constructies en aannames die wij er in ‘aanbrengen.’
De crux is dat zowel onze kennis over fysieke of ervarings-fenomenen, als onze kennis over metafysische zaken, op veronderstellingen berust. En wij (ik) als onzuivere subjecten moeten vertrouwen dat onze veronderstellingen juist zijn, omdat we ze niet kunnen bewijzen, maar ook niet kunnen leven of denken zonder die aannames.
Allicht is het vertrouwen in ‘direct’ waarneembare zaken groter dan het vertrouwen in bijvoorbeeld het bestaan van een god of een ziel. Dat komt omdat we de eerste categorie kunnen zien, voelen etc. en er met gelijke mate over kunnen spreken met een ander. Echter, we vertrouwen stiekem ook blind op zaken als een ziel en bewustzijn bij een ander individu, zonder daar ook maar enig bewijs voor te hebben.
Uiteindelijk hebben we geen enkel sluitend bewijs voor enige vorm van ‘zijn,’ dus zowel niet van enig fysiek object als van ieder metafysisch of transcendentaal idee. Al deze categorieën, ontsproten aan het (waarschijnlijk onzuivere) menselijk brein, zijn allemaal in gelijke mate ongrijpbaar. Dit leidt volgens mij ook tot de conclusie dat de fysieke wereld, de ‘waarneembare buitenwereld,’ geen enkele voorrang verdient ten opzichte van een transcendente wereld.
Om het nog wat leuker te maken: de status van ons (van mij) als onzuiver subject is ook onzeker. Ik kan eenvoudig niet bewijzen dat ik een onzuiver subject, ook niet terwijl ik vrijwel zeker ben dat ik valse onderscheiden (constructies) aanbreng. Daarnaast kan ik evenmin bewijzen dat er een zuiver subject is, of dat God het zuivere subject is. Dus er kan een grote overlap zijn tussen mijn kennis en de zuivere kennis over het ware zijn: ik heb daar alleen geen objectief criterium voor.
Ik zeg dit omdat ik de nadruk wil blijven leggen op het agnostische aspect van kennis, en niet op een ‘onmogelijkheid’ van bepaalde kennis. Anyway, voor meer uitleg over agnosticisme en criteria, zie de vorige blogs. Dan ga ik mijn hoofd buigen over de eventuele ‘ware’ kennis, waar wij eventueel toegang tot zouden kunnen hebben.