Het probleem waar ik al heel lang op aan het sturen ben, en ook al in meerdere varianten genoemd heb, is de paradox van het zijn. Als subject brengen wij onderscheiden aan, die eigenlijk weer afgebroken zouden moeten worden om tot de ware eenheid te komen, maar dat is volstrekt onmogelijk, omdat wij ons subject-zijn niet van ons af kunnen werpen.
Nu ik me meer aan het verdiepen ben in het werk van Sartre, zie ik wel aanknopingspunten, maar ook geen sluitende verklaring of oplossing voor het probleem. Dat is echter geen schande, het is tot op heden nog niemand gelukt.
De focus op fenomenen, het voor-zich en het uitsluiten van een ‘noumenale’ werkelijkheid buiten de verschijningen is een vergelijkbare tactiek als de mijne. Ook al leg ik de nadruk juist wel op het noumenale en het Ding an sich, toch heb ik ook geprobeerd alles in de eenheid te verbinden. De stelligheid waarmee Sartre poneert dat het zijn ‘is wat het is,’ is dezelfde als waarmee ik stel dat de eenheid is. Een opvallend gebrek aan predicaten, waardoor het probleem nog moeilijker wordt doordat het noch te bewijzen noch te weerleggen is. Daarnaast is ‘verhouding’ tussen zijn en niet-zijn wellicht vergelijkbaar met die van mij tussen eenheid en niet-eenheid. Het niet-zijn is gefundeerd op het zijn (in het kader van voor-zich) en is er dus onlosmakelijk mee verbonden; niet-eenheid wordt ook omvat door dezelfde eenheid, ook al maakt ze er voor ons kennisperspectief geen deel van uit.
In mijn werk leg ik een sterke focus op de subjectiviteit van kennis en het belang van het Ik. Diezelfde nadruk komt aan de orde bij Sartre, zonder dat hij wil toegeven (voor zover ik meen) dat er een veronderstelling in zit. Dat geldt namelijk voor het bewustzijn, dat hij als noodzakelijke voorwaarde voor het zijn-voor-zich stelt. Er rijzen hier minstens twee problemen, namelijk: de subjectiviteit van het bewustzijn (vergelijkbaar met het Ik of het cogito) en de onbewijsbaarheid van (het zijn van) een bewustzijn. Ook al kun je vanuit het cogito stellen dat ik denk, dus dat er een zijnde is dat denkt, toch blijft dit strikt beperkt tot mij, tot het Ik, en hoeft het niets (objectiefs) te zeggen over een mogelijke wereld buiten mij. De stelling van Sartre dat de (fenomenale) wereld buiten mij slechts is in het licht van het bewustzijn voor-zich, lijdt tot of een cirkelredenering (net als bij mijn paradoxen over eenheid), of tot een doodlopend eindpunt, met een onverklaarbaar bewustzijn. Daarmee is dit bewustzijn, of zelfs het fenomeen, net zo goed een ‘black box’ als de eenheid. De structuren die we denken te vinden kunnen evengoed waar zijn als onwaar; het ontbreekt ons aan een criterium of objectief richtpunt hierin.
Ik wil wel toegeven dat de positie van Sartre m.b.t. tot de fenomenen juist kan zijn. Het zou kunnen dat alles wat zich manifesteert, aan ons verschijnt, waar is en dat er helemaal geen sprake is van een noumenaal Ding an sich. (Net zoals ik in de vorige blog gesteld heb dat ik niet uit kan sluiten dat ik een zuiver subject ben.)
Waarom heb ik dan tot dusver wel voor die ongrijpbare transcendente zaken gekozen? Dat ligt vooral aan het vertrouwen in de veronderstellingen; ook al is het aannemelijk dat dit vertrouwen enkel en alleen uit het Ik voortkomt (net als het denken, het cogito) zelf, toch vermoed ik dat de oorsprong van vertrouwen buiten ons ligt. In hoeverre dat objectief geïnterpreteerd moet worden, of als in een zuiver subject, dat zullen de volgende analyses moeten uitwijzen.