Blogs

  • De grens van de eenheid

    Uit al mijn beschouwingen tot dusver vallen verschillende conclusies te trekken. Ik zal ze nu niet allemaal opnoemen (en herhalen); in plaats daarvan wil ik me richten op een voorlopig ‘eindpunt’ van de ontologie en de zijnsvraag, namelijk: eenheid.

    Dit is een speculatief begrip, dat naar iets verwijst wat wij slechts kunnen beschouwen en niet kunnen vatten (net zoals alle andere niet-conventionele begrippen). Het onderscheid, elke vorm van onderscheid is een vertekening, een beperking als het ware, die het zijn en ieder zijnde verdekt.

    De twee domeinen zoals ik die uitvoerig besproken heb, zijn slechts voor ons relevant om een brug te slaan naar het ‘ware,’ de eenheid.

    Eenmaal in het eerste domein, de eenheid, is de eerdere afbakening in domeinen niet meer relevant. Deze afbakening is nu nog slechts een vage tekening, een magere afspiegeling. ‘Eenheid’ duidt trouwens niet op een singulair punt, 0-dimensionaal, waar alles in samengebald is. De eenheid van alles is rijk, dense en onafgebakend. Het kan niet gereduceerd worden tot of in ruimte en tijd. Ook kan het ons, kan het mij niet gelukken om één te worden met deze eenheid en de onderscheiden af te werpen. We leven en denken in onderscheid; het zijn daarentegen is zonder onderscheid.

    Let wel, de afzonderlijke zijnden zoals wij ze onderscheiden in onze dagelijkse realiteit zijn wel degelijk, alleen afgedekt en vertekend. Hun ware zijn is eenheid: dit bedoel ik uiteindelijk ook met waarheid. Ook kunnen we hiermee de duale status van 1e en 2e-domeins-objecten verklaren; beide categorieën zijn, alleen de eerste categorie is onafgedekt, ongefilterd. Het wrange is dat we (ik) allemaal onderdeel uitmaken van de eenheid, de ware eenheid, de waarheid, maar dat we er geen toegang tot hebben, omdat we het perspectief missen.

    Er kunnen echter wel degelijk een paar positieve punten uit deze culminatie getrokken worden. Het eerste is dus dat wij, ik, het onzuivere subject deel uitmaken van de eenheid en er ook niet los van gedacht of gemaakt kunnen worden. Het tweede is dat ons kenvermogen blijkbaar wel in staat is om een meta-begrip te vormen over de aard van het zijn, zonder het zijn zelf in strikte zin ooit te kennen. Ik ben zeker niet de eerste of de laatste die dat zal aantonen; wel ben ik een van de weinigen die een systeem opgezet heeft dat zichzelf aan het einde tussen haakjes of buitenspel zet.

    En expliciet buitenspel, omdat ik continu wijs op het onkenbare van de realiteit. In die zin is de eenheid van de realiteit weer een Ding an sich, dat Kant met recht onkenbaar noemde. Waar het nu op aan komt, is de verhouding van het onzuivere subject (ik, wij) met die eenheid en de rol van het conventionele kennen daarin. Als zowel de speculatie, als het conventionele kennen niets waars kunnen zeggen over die eenheid, dan ontstaat er wellicht enige overlap… Die overlap zou vervolgens een rol kunnen spelen in de vaak besproken benadering.

  • Het grijze gebied

    Herhaling is nooit slecht: het helpt ons te kaderen, te overwegen en onverwachte combinaties te maken. Om opnieuw met de deur in huis te vallen: de werkelijkheid zoals die aan ons verschijnt, is een door ons vormgegeven (gecreëerde) abstractie, waarover wij zgn. ware uitspraken kunnen doen, als uitkomst van onze conventionele afspraken.

    Voor het kennen, dus ons kennen, is er onderscheid tussen het ware of het zuivere (eerste domein) en het onzuivere of onvolledige (tweede domein). Deze twee kennisdomeinen hebben geen betrekking op twee fysieke of causaal-gerelateerde domeinen; beide domeinen hebben geen ontologische relatie tot elkaar. Alleen voor ons (onzuivere subjecten) is er een relatie, een onderscheid.

    Over de aard van het eerste domein kunnen wij eenvoudig niets met zekerheid zeggen, noch door middel van onze waarneming, noch via onze rede; ook niet via de intuïtie. We kunnen, zoals gezegd, de waarheid nooit vatten.

    De methode van de analogie helpt ons een framework te bouwen dat ons houvast geeft; dit is echter alsof men een steiger bouwt om een tsunami. Het helpt enigszins: we voelen ons veiliger, maar verdrinken evengoed als we de tsunami willen leren kennen.

    Wat dan te denken over de begrippen benadering en vertrouwen, waar ik eerder over gesproken heb? Wij zijn, ongevraagd en ongelukkig, in een wereld geworpen die wij niet kunnen kennen en tot in het einde abstraheren. Wel hebben we een ‘tool’ gekregen, de rede, de heilige graal, die ons helpt om steigers te bouwen. Zonder dergelijke steigers, zonder hiërarchie, zonder zin, ziet alles er somber uit.

    Het grijze gebied waar wij filosofen ons in begeven, leidt juist tot het spelen met de tool van de rede: het kunnen denken en omdenken, het anders kunnen denken. We kunnen de realiteit niet vatten, maar haar wel anders construeren. Jammer is wel dat de filosofie eenrichtingsverkeer is: als je je eenmaal in het grijze gebied begeeft, kom je er niet meer uit. Je spreekt over waarheid, die niet te vinden is; over domeinen, die een illusie zijn qua ontologie, maar toch noodzakelijk voor ons kennen.

    Vanwaar deze negatieve stellingen, deze teruggekeerde destructie? Was niet het doel om na de subjectivering, het begrenzen van kennis juist een vorm van objectiviteit vast te stellen? Deze reeks leek wel die kant op te gaan. Het was zeker niet mijn bedoeling de positieve punten uit eerdere blogs ongedaan te maken; veeleer is het om mij scherp te houden en alle stellingen waar nodig bij te schaven. Om een verwijzing te maken naar Schopenhauer: hij geeft met recht aan dat het onderscheid tussen noodzakelijk, werkelijk en mogelijk slechts een abstract onderscheid is, dat voor de realiteit niet geldt. Net zoals in mijn eerste domein dat onderscheid verdwenen is.

    Waar ik echter de teugels aantrek, is bij het onderscheid tussen verstand en rede, tussen voorstelling en begrip. Geen van deze zaken heeft een voorkeurspositie in het licht van de waarheid; allemaal zijn ze ontoereikend.

    Je maakt je binnen de filosofie nooit populair met het introduceren van een metafysische entiteit, maar zo’n entiteit hebben we al lang en breed behandeld. De realiteit is een groot ens metaphysicum, waar niet aan valt te ontkomen. Dat gaan we dus ook niet proberen: in plaats daarvan gaan we vrolijk verder met het onderzoeken van de eenheid van die entiteit.