Blogs

  • (G)een criterium voor (g)een criterium?

    Het ontbreken van een objectief criterium, of liever gezegd, het ontbreken van een toetssteen voor zo’n criterium, blijft een onoverkoombare hindernis. Sextus Empiricus heeft immers laten zien dat een criterium een bewijs nodig heeft, en dat bewijs voor haar geldigheid weer een criterium nodig heeft. Dit leidt een eindeloze (ad infinitum) cirkelredenering.

    Ook heeft hij gesteld dat zowel de empirische waarneming als onze rationeel denkvermogen niet toereikend zijn om iets waars te stellen over de realiteit. Deze sceptische stellingname past precies in mijn straatje: zoals gezegd ben ik zowel een anti-rationalist als een anti-empirist. Daar komt het probleem nog bij dat we gevangen zitten in het Ik. Ik geef toe dat ik een schaamteloze subjectivist en solipsist ben, een positie die veel kritiek zal oogsten en die toch onvermijdelijk is.

    Even terug naar de methodes van onderzoek: ik heb het eerder over analogie gehad. Daarbij stelde ik dat we het 1e domein (eenheid) analoog zouden kunnen behandelen aan het geconstrueerde en ‘gestructureerde’ 2e domein. Dit valt ook samen met mijn meer recente stelling dat de fysica en de metafysica op gelijke voet behandeld kunnen worden, omdat er geen criteria voor ware uitspraken zijn voor een van beide disciplines.

    Uiteindelijk valt alle kennis (en leven en denken) terug op vertrouwen en veronderstellen (zie eerdere blogs), en dit is meer op gevoel gebaseerd dan op enige logische of rationele conclusie. Ook deze stelling zal niet populair zijn, omdat het indruist tegen onze analytische vaardigheden.

    Waarom analyseren we dan, als het nergens toe leidt? Nou, het leidt wel zeker ergens toe, maar er is geen criterium vast te stellen om het bereikte aan te toetsen. In de praktijk stellen we onze eigen (conventionele) criteria op, en doen we alsof ze valide zijn. De eenheid heeft echter laten zien dat onze criteria altijd constructies zijn, die de waarheid verbasteren. Een onderscheid tussen eenheid en constructie (net als tussen 1e en 2e domein) is vervolgens ook een zichzelf opheffend onderscheid: er is eenvoudigweg geen onderscheid op het niveau van de ware eenheid.

    Dat niveau is echter speculatie en het bestaan ervan is niet te toetsen, maar dat geldt dus voor iedere vorm van (conventionele) kennisvinding. Nogmaals, ook binnen het conventionele domein is het slim om een systematiek te hanteren, om criteria te stellen; dit zijn echter geen ware criteria.

    Ziehier een herkenbaar patroon: een criterium in mijn terminologie is een maatstaf om waarheid (ware eenheid) aan te toetsen. Deze is echter net zo goed onvindbaar (of onmogelijk te toetsen) als de waarheid an sich.

    Aan het einde van de rit is er zelfs geen criterium te vinden voor de methode van waarheidsvinding, of het nu om waarneming, redenering, intuïtie of gevoel gaat. Ze zijn allen niet door een criterium ‘van buitenaf’ te beoordelen: het is niet zo dat ze niet geldig zijn, er ontbreekt gewoon een maatstaf om die geldigheid te toetsen. Vandaar mijn nadruk op het belang van vertrouwen: dit is meer gebaseerd op gevoel dan op logische bewijsbaarheid, maar dus zeker niet minder geldig in het licht van waarheidsvinding. Is gevoel dan een soort criterium voor vertrouwen? Er lijkt een aanknopingspunt te zijn: zelfs zogenaamde ‘objectieve zekerheden’ moeten vertrouwd worden, voordat ze geldig zijn. Een paradoxaal gegeven, maar zelfs een paradox kan (hopelijk) tot verdere inzichten leiden.

  • De onprettige constatering

    Voordat we verder gaan met de inhoudelijke analyse van eenheid, is het ook belangrijk om in te zoomen op de status van mijn (agnostische) systeem zelf.

    Ik heb het eerder een antisysteem genoemd; daarmee bedoel ik dat het juist geen systematiek of structuur in de aan ons verschijnende werkelijkheid probeert aan te brengen. Het systeem stelt expliciet dat er geen enkele ‘objectieve’ fundering gevonden kan worden voor welke kennisaanname dan ook, dus ook niet door de mijne.

    Wat is dan vervolgens het criterium voor deze positie? Als het gaat over kracht van argumentatie en vooral de coherentie van een systeem dan moet ik zeker Kant (en ook Heidegger, Schopenhauer) voor laten gaan. Hun visies zijn op dit moment nog vele malen beter uitgewerkt dan de mijne. Overigens zegt dat niets over de mate van waarheidsvinding door de werken van genoemde filosofen.

    Er zijn nog meer vragen: hoe kunnen wij ooit bij een criterium, of een zekerheid überhaupt aankomen? Is niet iedere vorm van (conventionele) kennis een veronderstelling, zoals ik in de beginfase heb betoogd?

    Maar net als bij de metafysische eenheid is het wel degelijk mijn bedoeling het systeem ergens aan te toetsen. Er is misschien zelfs een ‘positieve’ houding aan te nemen hierin. De waarheid is immers strikt gezien niet onkenbaar: we zouden het theoretisch wel kunnen kennen, maar hebben daar nog geen criterium voor gevonden. Ah, daar is het woordje ‘nog;’ ik sluit dus niet uit dat wij wel degelijk een criterium kunnen vinden.

    Hoe kunnen wij dan ‘objectief’ zeker zijn van zo’n criterium? Is het zelfs nodig om er zeker van te zijn? Ik wil hier wel even een stap terug doen van mijn subjectivistische visie. Als ik deze strikt zou hanteren, is ieder criterium een ‘subjectief’ criterium, omdat het alleen door mij (het Ik) geïnterpreteerd kan worden. De interpretatie door een ‘ander’ is een raadsel, een gissing. Voor het systeem zelf, de meta-analyse, moeten we wel uitgaan van de verklaringskracht van de geschreven taal. We hanteren (of veronderstellen) letterlijk conventionele methodes om systemen te vergelijken. Het is hier niet mijn bedoeling om een volledige hermeneutische of taalkundige analyse te starten, omdat ik onder aan de streep weer snel terug wil naar de inhoud van datgene waarover gesproken wordt.

    Er is een behoorlijk ongemakkelijk gegeven in mijn systeem. De begrippen ‘kennen,’ ‘weten,’ ‘vatten’ etc. hebben alleen volledige ontologische waarde in het licht van de eenheid. Maar in dat licht weten wij nooit zeker wat we kennen. Wij kunnen de grenslijn tussen waar en conventioneel immers niet vaststellen: voor ons blijft het altijd een gissing. Eigenlijk stel ik nog nadrukkelijker: het is tot op heden niemand gelukt, ook mij niet, om ergens een zeker objectief criterium voor te geven. De leukste ondernemingen zijn echter degene die niet zouden moeten kunnen. We gaan van het slechtste uit: het kan vanaf hier alleen maar beter.