Blogs

  • De onprettige constatering

    Voordat we verder gaan met de inhoudelijke analyse van eenheid, is het ook belangrijk om in te zoomen op de status van mijn (agnostische) systeem zelf.

    Ik heb het eerder een antisysteem genoemd; daarmee bedoel ik dat het juist geen systematiek of structuur in de aan ons verschijnende werkelijkheid probeert aan te brengen. Het systeem stelt expliciet dat er geen enkele ‘objectieve’ fundering gevonden kan worden voor welke kennisaanname dan ook, dus ook niet door de mijne.

    Wat is dan vervolgens het criterium voor deze positie? Als het gaat over kracht van argumentatie en vooral de coherentie van een systeem dan moet ik zeker Kant (en ook Heidegger, Schopenhauer) voor laten gaan. Hun visies zijn op dit moment nog vele malen beter uitgewerkt dan de mijne. Overigens zegt dat niets over de mate van waarheidsvinding door de werken van genoemde filosofen.

    Er zijn nog meer vragen: hoe kunnen wij ooit bij een criterium, of een zekerheid überhaupt aankomen? Is niet iedere vorm van (conventionele) kennis een veronderstelling, zoals ik in de beginfase heb betoogd?

    Maar net als bij de metafysische eenheid is het wel degelijk mijn bedoeling het systeem ergens aan te toetsen. Er is misschien zelfs een ‘positieve’ houding aan te nemen hierin. De waarheid is immers strikt gezien niet onkenbaar: we zouden het theoretisch wel kunnen kennen, maar hebben daar nog geen criterium voor gevonden. Ah, daar is het woordje ‘nog;’ ik sluit dus niet uit dat wij wel degelijk een criterium kunnen vinden.

    Hoe kunnen wij dan ‘objectief’ zeker zijn van zo’n criterium? Is het zelfs nodig om er zeker van te zijn? Ik wil hier wel even een stap terug doen van mijn subjectivistische visie. Als ik deze strikt zou hanteren, is ieder criterium een ‘subjectief’ criterium, omdat het alleen door mij (het Ik) geïnterpreteerd kan worden. De interpretatie door een ‘ander’ is een raadsel, een gissing. Voor het systeem zelf, de meta-analyse, moeten we wel uitgaan van de verklaringskracht van de geschreven taal. We hanteren (of veronderstellen) letterlijk conventionele methodes om systemen te vergelijken. Het is hier niet mijn bedoeling om een volledige hermeneutische of taalkundige analyse te starten, omdat ik onder aan de streep weer snel terug wil naar de inhoud van datgene waarover gesproken wordt.

    Er is een behoorlijk ongemakkelijk gegeven in mijn systeem. De begrippen ‘kennen,’ ‘weten,’ ‘vatten’ etc. hebben alleen volledige ontologische waarde in het licht van de eenheid. Maar in dat licht weten wij nooit zeker wat we kennen. Wij kunnen de grenslijn tussen waar en conventioneel immers niet vaststellen: voor ons blijft het altijd een gissing. Eigenlijk stel ik nog nadrukkelijker: het is tot op heden niemand gelukt, ook mij niet, om ergens een zeker objectief criterium voor te geven. De leukste ondernemingen zijn echter degene die niet zouden moeten kunnen. We gaan van het slechtste uit: het kan vanaf hier alleen maar beter.

  • Het ene is onzekerder dan het andere

    Ik heb tot dusver veel nadruk gelegd op de onzekerheid: het nooit zeker kunnen weten. In de laatste blogs heb ik dus ook veel gehamerd op de epistemologische tak van sport; het wordt nu zaak die duidelijker te verbinden met de ontologische tak.

    Eenheid staat centraal in mijn systeem, zoals ik hiervoor ook al gesteld heb. De eenheid is het ware zijn, en tegelijkertijd de mogelijkheidsvoorwaarde voor het zijn. Ik herhaal, ik ben niet de eerste of de enige die een ideaal centraal stelt, en mijn systeem heeft waarschijnlijk ook niet meer overtuigingskracht dan een andere.

    Alles is een vorm van speculatie; of het nu om een metafysische theorie gaat, om de uitkomsten van een wetenschappelijk experiment of het ‘eenvoudige’ waarnemen van een ‘object’ is. Niets van dat alles is zeker in ware zin en is nergens op gefundeerd (als in ontologische grond).

    In tegenstelling tot wat Heidegger bijvoorbeeld beoogde met het Dasein, pretendeer ik niet dat eenheid (mits verder uitgewerkt) ons ook maar iets wijzer kan maken over de ontologische dan wel fenomenologische aard van ‘zijnden.’ Zelfs hoe zaken aan ons verschijnen is niet met zekerheid aan te geven, of enige zekere structuur aan te brengen.

    Eenheid wordt eigenlijk als contradictie gebruikt: het kan nadrukkelijk niet gekend worden. In eenheid is ook geen verschijning, omdat een conventionele verschijning aan ons (aan mij) gelaagd en geconstrueerd is. Eenmaal in zuivere eenheid (hypothetisch of speculatief) is ieder onderscheid opgeheven, dus ook het ‘object’ dat verschijnt en de ‘waarnemer’ of subject.

    Ik maak me dus wel degelijk schuldig aan transcendentaal idealisme, maar ik pretendeer dus niet er zoiets is als een a priori structuur of een ‘gegeven’ buitenwereld. Ik geloof wel in een buitenwereld, maar ik kan het niet bewijzen (zoals niemand dat kan). De stellingen die ik doe over de inhoud van eenheid zijn per definitie speculatief, waardoor het niet als een fundamentele basis gezien moet worden waar vervolgens alles uit afgeleid kan worden. En dat is juist het kromme: de eenheid staat centraal, maar is geen grond of fundament; het is eerder een ‘black box.’

    Nog even over de specifieke gerichte speculatie: dit heeft dus betrekking op de analyse van het ware zijn (eenheid, 1e domein). Ongerichte speculatie is alle overige speculatie m.b.t. conventionele zaken; of het nu empirische wetenschap of meer alledaagse oordeelsvorming is. Let wel, dat maakt het geen diskwalificatie van het conventionele (2e) domein: wij hebben dit domein nodig en hebben grootse ontdekkingen gedaan en structuren aangebracht hierin. Waar de miscommunicatie plaatsvindt, is de positieve gedachte dat we de aard van de werkelijkheid (black box, Ding an sich) zouden kunnen kennen, of dat die zich op enige andere manier zou kunnen ontsluiten. Toch, en dat is nog wel het vreemdste aan dit verhaal, gaan we zeker nog proberen diezelfde aard te ontdekken. Wie weet is de eenheid nog niet zo ‘een’ als ik zou verwachten…