Blogs

  • De tweede plaats is noodzakelijk

    In de vorige analyses hebben we scherp gesteld dat de begrippen en categorieën die we in het dagelijks leven hanteren, geen ware betekenis hebben in het licht van het 1e domein.

    Dat hebben we met name kunnen zien bij het begrip ‘grond,’ als ook bij het onderscheid tussen subject en object. Het 1e domein (om maar weer eens te herhalen) kent geen onderscheiden. De ironie wil dat wij, om haar te kennen, juist wel (schijn)onderscheiden moeten gebruiken. Dit komt doordat wij ‘scheidend’ denken: we knippen zaken in stukjes, benoemen verschillen, bouwen hokjes etc. Deze stappen zijn onontkoombaar en inherent aan de menselijke geest.

    Ik wil nu een ander begrip aanraken, namelijk de noodzakelijkheid, en dit uitleggen van mijn twee-domeinenvisie. Door middel van intuïtie zou je snel zeggen dat onzuivere subjecten en objecten niet noodzakelijk ‘zijn;’ dus contingent zijn, ze hadden ook niet of anders kunnen zijn. Het zuivere subject vervolgens, in al haar holistische omvatting, zou dan wel noodzakelijk moeten zijn. In het verleden dacht ik ook zo over God: Hij is noodzakelijk, terwijl de schepping uit louter contingenties bestaat.

    Toch gaan deze stappen te snel. Eerst moeten we bepalen of noodzakelijkheid als 2e-domeinsbegrip überhaupt iets kan zeggen over het 1e domein? Nou, eigenlijk doen we niet anders, begrippen uit het 2e domein ‘plakken’ over het 1e.

    Let wel, het zijn van het 1e domein is onbetwijfelbaar; alleen en het kennen van en inzicht in de hoedanigheid ervan is niet mogelijk. Het tweede domein is een beperkte afbakening van het eerste. Het zijn van het 2e kan echter niet, en is niet zonder het 1e. Het kennen van het 2e bevindt zich daarentegen prima op de 2e verdieping, zonder ooit de behoefte te voelen de lift of de trap te pakken naar de 1e verdieping. Qua zijn is het 1e een draagbalk die je niet weg kunt halen zonder dat de hele boel instort.

    Om even terug te komen op de noodzaak: eigenlijk is het begrip noodzakelijkheid dus niet toereikend om het eerste domein, of enig element ervan, te vatten. Je kunt bijvoorbeeld ook niet stellen dat de reële objecten uit het tweede domein gevolgen zijn van het 1e domein. Er is geen causaliteitsrelatie, net zoals er geen ruimtelijke relatie is tussen de twee (zoals ik heb uitgelegd bij mij schematische weergaves).

    Het kan dus helemaal niet zo gesteld worden dat de schepping een noodzakelijk gevolg van een eerste oorzaak (zoals God). Integendeel: God is. Hij is oorzaak noch gevolg. De schepping is ook en kan daarmee niet beperkt worden tot gevolg. Deze stellingen roepen veel nieuwe vragen op en kunnen mijn systeem wellicht doen kantelen.

    Dat er ken-verschillen zijn tussen de twee domeinen, dat is inmiddels wel overduidelijk, maar zijn er dan ook zijnsverschillen tussen de twee? Ik heb immers vaak gesteld dat het puur zou gaan om twee perspectieven van hetzelfde. Het heeft geen pas om het 2e domein uit te sluiten van een fundamenteel zijn. Sterker nog: als, en dat is ontologisch niet juist, maar als je het eerste domein als noodzakelijk wilt betitelen, dan is het tweede domein net zo noodzakelijk.

    En weg is alle contingentie.

  • Met de grond gelijk gemaakt

    De uitdrukking ‘met de grond gelijk maken’ is in ons geval wel een bijzondere beeldspraak: we moeten die hier namelijk letterlijk nemen.

    Niet in de zin dat we al onze ‘bouwwerken van kennis’ af moeten breken. Zeker niet, dit zijn immers 2e-domeins-bouwwerken die op dat niveau waarde bewijzen, mits je het fundament ervan ‘veronderstelt.’ De grond moet echter in het 1e domein gelijk worden gesteld aan de waarheid, het zuivere subject, het Ding an sich etc. Het moet dus ‘gelijk’ worden gemaakt aan die zaken (en vandaar de overeenkomst met die uitdrukking). Dat gelijk maken telt alleen voor ons (onzuivere subjecten): wij moeten een actieve denkstap nemen om de zaken terug te brengen naar hun kern, terwijl in het 1e domein alles gelijk is.

    De vraag die ik eerder gesteld heb, of het Ding an sich zelf de grond is, kan dus zowel positief als negatief beantwoord worden: ja, het Ding an sich is ook grond, en nee, het kan niet beperkt worden tot diezelfde grond.

    De volgende stap is de vraag naar de hoedanigheid van het zuivere subject (die dus ook grond is). In al mijn denken en leven, al lang voordat ik aan deze blogs begon, heb ik God als een zuivere entiteit, een zuiver subject gezien. God kan niet gevat, of beperkt worden door de begrippen en onderscheiden die wij hanteren. Hij kan net zomin mannelijk als vrouwelijk genoemd worden, omdat beide predicaten hem een beperking opleggen.

    Juist het mystieke aspect dat we Hem niet kunnen vatten of direct kunnen aanzien (zoals in de Bijbel naar voren komt) laat een grote analogie zien met de werkelijkheid of waarheid. Net zoals we uiteindelijk alleen op God kunnen vertrouwen, zonder evidente zekerheid, kunnen we ook alleen maar vertrouwen op het zijn van de werkelijkheid. Een werkelijkheid die door God aan ons gegeven is. Er is, uiteindelijk, voor ons, voor mij geen ontologische zekerheid, en dus ook geen epistemische zekerheid. Er rest alleen vertrouwen.

    Vertrouwen gaat overigens dieper dan veronderstelling en kan wellicht nog beter met liefde aangeduid worden. Maar dan liefde in algemene zin, zoals Kierkegaard bedoelde: dus zonder voorkeurspositie, zonder onderscheid. Als die liefde geen onderscheid maakt, past ze naadloos bij het 1e domein, bij God en de waarheid.

    Is de liefde dan grond? Tja, ook weer positief en negatief: het maakt er onderdeel van uit, maar mag er ook niet tot beperkt worden. Dit is ook het venijnige van dit vakgebied, de ontologie. Net als je een begrip gevonden denkt te hebben dat de lading dekt, blijkt datzelfde begrip later toch niet helemaal geschikt te zijn. ‘Grond’ is een 2e-domeinsbegrip, dat niet geschikt is om het 1e domein te beschrijven, hoogstens te schaduwen. Om opnieuw een vergelijking te trekken met ruimtelijke dimensies: als je hier een 4-dimensionaal object plaatst, zal ik (en jij hopelijk ook) het als een 3-dimensionaal object zien. Het zijn van het object verandert niet, wel het perspectief. Simpelweg door de beperkingen van onze realiteit.

    Het zou slimmer, of beter zijn om ons simpelweg gelukkig te prijzen met die realiteit en het daarbij te laten. Maar ja, nu hebben we een denkvermogen en gaan we graven, puur omdat het kan. Het zij zo…