Blogs

  • De algemeenheid der dingen

    Nu er een methode is gekozen, namelijk dat van de analogie, is het tijd om eens gerichter naar de inhoud te gaan kijken.

    In een eerdere blog heb ik gesteld dat het 1e domein uniform en onveranderlijk is (wat meteen ook speculatie is). Dit moet echter genuanceerd worden. In het dagelijks leven hebben wij onderscheiden nodig, zoals dat tussen ‘algemeen’ en ‘bijzonder’ of ‘specifiek.’ Wij nemen ‘bijzondere’ dingen waar, en om deze te kaderen gieten we ze in ‘algemene’ vormen om er over te kunnen meepraten en meedenken. In die lijn gaan we eigenlijk alleen met ‘algemene’ zaken om, omdat we iedere zaak meteen proberen te categoriseren. We kunnen niet leven, laat staan denken, als we omringd zouden zijn door ontelbaar veel bijzondere, unieke, ongedefinieerde dingen. Ons denken zou in dat geval een soort kortsluiting krijgen; onze geest, wij, ik hebben een gelimiteerd bereik.

    Een jong kind heeft vaak een grotere fantasie, maar leert ook snel te ‘ordenen:’ de werkelijkheid rücksichtslos af te bakenen, zodat het handelbaar wordt en het kind gemakkelijker met leeftijdgenoten kan communiceren. Over ‘concrete’, ‘werkelijke’ dingen weliswaar. Dit voorbeeld betreft echter louter de kennis over en de aanpak in het 2e domein. Hoe dan om te gaan met de onderscheiden in het 1e domein?

    Het mag geen verrassing heten dat er simpelweg geen ontologisch onderscheid is in het 1e domein. Een ding (Ding an sich) is daar zowel algemeen als bijzonder, en kan niet, mag zelfs niet, ingeperkt worden door een van beide predicaten, omdat wij zo nodig een labeltje moeten hebben.

    Door het gebruik van analogie lijkt het toch verleidelijk om het 1e domein ‘algemeen’ te noemen (in de zin van ‘hoger’ ) en het 2e domein ‘bijzonder.’ We moeten ons echter bewust blijven van de vertekening die wij (noodgedwongen) door deze analogie veroorzaken.

    Er is ook geen andere optie: wij bereiken, of vatten het 1e domein niet, en zullen ons niet bewust zijn wanneer we het precies benaderen. Wij kunnen slechts speculeren. Het Ding an sich is dus zowel algemeen als bijzonder; zowel veranderlijk als onveranderlijk.

    Nu komt de lastigste conclusie: het 1e domein is niet gelaagd of gecategoriseerd zoals het 2e. Dat geldt dus ook voor de grond: het Ding an sich heeft een grond en is ook zelf grond. Dit duidt niet op reductie of inwisselbaarheid van het begrip ‘grond,’ maar laat de ontologische éénheid ervan zien. Ik herhaal wat ik eerder gesteld heb: in dit geval niet numeriek één (dat zou immers afbakening zijn), maar holistisch één.

    De werkelijkheid is. De waarheid is. Zonder onderscheiden. En daardoor ook voor ons niet kenbaar of zichtbaar. Omdat wij met een zaag of een ander stuk gereedschap die werkelijkheid gaan verbouwen tot een voor ons werkbare en denkbare allegorie. We kunnen helaas geen puur, zuiver perspectief innemen, omdat we onszelf nooit los kunnen koppelen van het ik.

    De werkelijkheid zoals wij die denken te kennen, is een volstrekte abstractie gecreëerd door het ik. We hebben de concrete werkelijkheid (als in het 1e domein) eigenlijk met de grond gelijk gemaakt. Het wordt nu tijd om die werkelijkheid te laten herrijzen, vanuit en met diezelfde grond.

  • Niet doelgericht, maar methode-gericht

    Na mijn vorige analyses ben ik me iets gaan realiseren, namelijk dat ik meer waarde hecht aan de methode dan aan het uiteindelijke doel. Het doel kan immers niet waarheid zijn, omdat die onkenbaar is (zoals ik al uitvoerig heb besproken). Aan de andere kant moet er wel een geschikte methode gevonden worden om het 1e domein mee te ‘kaderen.’ Let wel, dit leidt niet tot zichtbaar resultaat qua waarheidsvinding, maar moet ons houvast geven, als een soort ‘schijn’ van waarheid, dat te vergelijken is met de eerder genoemde benadering.

    Ik geef toe dat dit niet veel enthousiasme zal kweken: bezig gaan met een traject dat toch niet te voltooien is. Toch kunnen we wellicht, door middel van een geschikte methode, een minimalistisch overzicht geven van het 1e domein en haar inhoud, zoals ik dat in de vorige blogs ook geprobeerd heb.

    In de vorige blog heb ik gesteld dat het belangrijk is om het 1e domein te behandelen, op een manier die analoog is aan die van het 2e, om te voorkomen dat de analyse ontaardt in lukrake speculatie. Ik wil vooral voorkomen dat er een verwijt komt van idealisering of vermythologisering. Bijvoorbeeld: er is een ‘gene zijde’ (1e domein) die aan mij geopenbaard is (zonder fundering) of iets dergelijks. De speculaties moeten gericht en methodologisch aangepakt worden; hun inhoud kan niet verkeerd zijn, zolang ze maar consequent zijn vastgesteld door een nog te bepalen methode. Laat ik het anders formuleren: de weg tot de speculatie is belangrijker dan het uiteindelijke doel.

    Tegelijkertijd moet ook voorkomen worden dat het 1e domein te formeel of logisch-wetenschappelijk aangepakt wordt. Een focus op logica of dialectiek zou een goede keuze zijn, maar we moeten ook ruimte open laten voor persoonlijke intuïtie. Immers, aangezien de gerichte speculatie ons niets ‘waars’ kan vertellen over het 1e domein, en onze logica niets waars over het 2e, is er geen bindend mandaat voor een van beide methodes. (Overigens is dit wel heel zwart-wit gesteld, omdat wij natuurlijk altijd een vorm van logica zullen gebruiken bij onze speculatie.)

    De kracht van analogie schuilt wel in het herhalen van bewezen effectieve praktijken. Ook al lopen we in de wetenschap van paradigma naar paradigma; het is niet zo dat de ontwikkeling van de methodes zelf stil is blijven staan. Een goed voorbeeld hiervan is de ontwikkeling en het primaat van de natuurwetenschappelijke of empirische methode.

    Verder is het opvallend dat ik zowel filosofische als (natuur)wetenschappelijke methodes in ogenschouw neem. Dat komt omdat het hier vooral om ken-methodes gaat, ongeacht de uitkomst. Inhoudelijk kan ik, kan niemand er over oordelen, maar procesmatig valt er wel iets over te zeggen. We hebben dan ook conventionele inzichten en afspraken hoe die processen en methodes eruitzien.
    Ik weet dat er nog veel meer voorbeelden en argumenten nodig zijn om dit te verhelderen. Maar alles op zijn tijd: Rome werd immers ook in stukjes gebouwd.